1. Mistlichten (mistlichten voorzijde en
achterzijde)
Een motorvoertuig mag aan de voorzijde en de achterzijde zijn voorzien
van mistlichten. Wat zijn nu mistlichten en wanneer mogen deze gebruikt
worden.

2: Algemeen
2.1 Wat is een mistlicht?
- MISTLICHT VOORZIJDE: een licht dat dient voor een betere verlichting
van de weg bij mist, sneeuwval, onweer of stofvlokken, dat zodanig
is geconstrueerd dat een verlichting wordt gegeven met slechts geringe
verblinding.
De technische eisen gesteld aan een mistlicht zijn: een EEG-keurmerk, wat
bestaat uit een hoofdletter "E" in een rechthoek gevolgd door het
kennummer of de kenletters van de EEG-lidstaat (Nederland "E 4").
Tevens kan op het mistlicht het aanvullende symbool "B" (Frans
voor brouillard=mist) of "F" (fog) zijn toegevoegd.
Mistlichten aan de voorzijde mogen naar voren niet anders dan wit of geel
stralen (art. 5.*.59 VR)
- MISTLICHT ACHTERZIJDE: in het achterlicht geïntegreerde of afzonderlijk
aangebrachte lamp aan de achterzijde van het voertuig, waarbij in het
glas een "E"-keurmerk is aangebracht.
De mistlichten aan de achterzijde mogen niet anders dan rood stralen (art.
5.*.53, lid 3 VR)
2.2 Welke voertuigen mogen voorzien zijn van mistlichten?
Ingevolge het Voertuigreglement MOGEN de volgende motorvoertuigen aan
de voorzijde zijn voorzien van:
- personenauto twee mistlichten (art. 5.2.57 VR)
- \bedrijfsauto twee mistlichten (art. 5.3.57 VR)
- motorfiets een mistlicht (art. 5.4.57 VR)
- driewielig motorvoertuig een of twee mistlichten (art. 5.5.57
VR)
- motorvrtg bep. snelheid twee mistlichten (art 5.7.57 VR)
- landbouwtrekker twee mistlichten (art. 5.8.57 onder d VR)
Ingevolge het voertuigreglement MOETEN/MOGEN de volgende motorvoertuigen
aan de achterzijde voorzien zijn van:
- personenauto na 31-12-95 in Nederland in gebruik genomen een
of twee mistlichten aan de achterzijde. Indien een (1) mistachterlicht,
dan in of links van het middenlangsvlak van het voertuig (art. 5.2.51
onder k VR). Voor 1-1-96 in Nederland in gebruik genomen mogen een
of twee mistachterlicht(en) hebben, als aan de inrichtingseisen en
gebruikerseisen wordt voldaan.
- bedrijfsauto bepaling als bij personenauto (art. 5.3.51 onder
k VR)
- motorfiets MAG een (1) mistachterlicht (art. 5.4.57 onder c
VR)
- driewielig motorvoertuig MAG een (1) of twee mistachterlichten
(art. 5.5.57 onder b VR)
- motorvrtg bep. snelheid MAG een (1) of twee mistachterlichten
(art. 5.7.57 onder e VR)
- landbouwtrekker MAG een (1) of twee mistachterlichten (art 5.8.57
onder e VR)
Het ingeschakeld zijn van het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde
van het voertuig moet door middel van een controlelampje (of stand van
de schakelaar bij landbouwtrekker) aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt
(art. 5.*.62 VR)
In het Voertuigreglement is verder bepaald dat deze voertuigen niet
meer verlichting mogen hebben, dan volgens dit reglement is voorgeschreven
of toegestaan.
Voldoet een lamp niet aan de eisen van mistlamp, als hierboven omschreven,
dan is het dus geen mistlamp. Gekeken moet worden of het een andere lamp
is, die volgens het Voertuigreglement is voorgeschreven of toegestaan.
Is dit niet zo, dan is het voertuig voorzien van meer lichten dan is
toegestaan. (art. 5.*.65 VR)
Overigens bestaat er GEEN verschil tussen een breedstraler en een mistlamp.
In beide gevallen moet er sprake zijn van een - goedgekeurde - lamp die
een brede, naar boven scherp begrensde en naar rechts gerichte lichtbundel
produceert en niet mag verblinden.
3. Wanneer mogen mistlampen worden gevoerd
Ingevolge artikel 34 lid 1 RVV90: Bij mist, sneeuwval of regen, die
het zicht ernstig belemmert, mogen bestuurders van motorvoertuigen mistlicht
aan de voorzijde voeren.
Een wettelijke omschrijving wanneer het zicht ernstig belemmerd is, is voor
dit artikel niet gegeven. De relatie naar lid 2 van dit artikel mag men NIET
leggen en moet door de verbalisant zelf omschreven worden.
Volgens het KNMI te de Bilt is:
- mist 200 - 1000 meter zicht
- dichte mist 50 - 200 meter zicht
- zeer dichte mist minder dan 50 meter zicht
Bij het Parket wordt voor de beoordeling uitgegaan dat het zicht ernstig
wordt belemmerd bij dichte mist. Derhalve mogen mistlampen gevoerd worden
bij zich minder dan 200 meter.
Voorts mogen mistlampen - ingevolge de EEG-richtlijn - gevoerd worden in combinatie
met groot- en dimlicht, indien deze lichten wettelijk zijn toegestaan. Nergens
staat, dat het voeren van stadslicht IN COMBINATIE met mistlicht verboden is.
Ingevolge art. 34 lid 2 RVV90: Bij mist of sneeuwval, die het zicht beperkt tot
een afstand van MINDER dan 50 meter, MAG mistachterlicht worden gevoerd. |