Besluit van 3 november 2003, houdende wijziging
van het Voertuigreglement tot opneming van een verbod voor radarontvangstapparaten
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming
met Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport, van 4 juli 2003, nr. HDJZ/AWW/20031396, Hoofddirectie Juridische
Zaken;
Gelet op artikel 34, eerste lid, en artikel 71 van de Wegenverkeerswet 1994;
De Raad van State gehoord (advies van 12 september 2003, nr. W09.03 0286/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming
met Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport van 27 oktober 2003,
nr. HDJZ/AWW/2003-2127, Hoofddirectie Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
ARTIKEL I
Het Voertuigreglement' wordt als volgt gewijzigd:
A
Na artikel 1a.6 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Artikel la.7
1. Het is verboden om radarontvangstapparaten die geschikt zijn om de aanwezigheid
aan te tonen van een apparaat dat tot doel heeft om een overschrijding van
de maximumsnelheid vast te stellen, in te voeren, te koop aan te bieden, in
voorraad te hebben of af te leveren.
2. Het eerste lid geldt niet voor de apparaten die in Nederland worden ingevoerd
en waarvan door middel van handelsbescheiden wordt aangetoond dat de apparaten
aansluitend worden uitgevoerd naar een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen.
Na artikel 5.1.5 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 5.1.6
Het is de bestuurder van een motorrijtuig verboden daarmee te rijden
en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien in
of aan het motorrijtuig een radarontvangstapparaat aanwezig is, dat geschikt
is om de aanwezigheid aan te tonen van een apparaat dat tot doel heeft
om een overschrijding van de maximumsnelheid vastte stellen.
C
Artikel 8.1 komt te luiden: Overtreding van de artikelen 5.1.1, eerste
en tweede lid, 5.1.2, 5.1.3, 5.1.4 en 5.1.6 is een strafbaar feit.
ARTIKEL II
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.
NOTA VAN TOELICHTING
Inleiding
Dit besluit strekt ertoe om radarontvangstapparaten te verbieden die
geschikt zijn om de bestuurder te waarschuwen dat er een meting van de
snelheid plaatsvindt. Het uitvoeren van snelheidscontroles vormt een
essentieel onderdeel van de inspanningen van de overheid om de bestuurders
van motorrijtuigen ertoe te brengen de geldende snelheidslimieten na
te leven. Het overtreden van de snelheidslimieten leidt tot meer verkeersslachtoffers.
De toepassing van de apparaten waarop dit verbod zich richt, zorgt voor
een verminderde effectiviteit van deze controles en vormt aldus een gevaar
voor de verkeersveiligheid.
De radarontvangstapparaten die geschikt zijn om de bestuurder te waarschuwen
dat er een meting van de snelheid plaatsvindt worden in het spraakgebruik ook
wel aangeduid als radarverklikkers.
Radarverklikkers
Snelheidscontrole met radars werkt via het projecteren van bepaalde
elektromagnetische golven op voertuigen. Zo'n straal wordt door voertuigen,
die zich binnen een bepaalde afstand van de radar bevinden, gereflecteerd
en geretourneerd naar de radar. Het gereflecteerde signaal wordt vervolgens
omgezet in een frequentie waarvan de hoogte proportioneel samenhangt
met de snelheid van het voertuig. De radar bepaalt de snelheid aan de
hand van het verschil in frequentie tussen het gereflecteerde en het
originele signaal. Een radarverklikker in een voertuig registreert deze
uitgezonden en gereflecteerde signalen en geeft vervolgens een waarschuwingssignaal.
Strekking van het verbod
Met dit besluit wordt niet alleen het aanwezig hebben van radarverklikkers
in of aan een rijdend motorrijtuig verboden, maar ook het invoeren, te
koop aanbieden, in voorraad hebben en afleveren van de apparaten. Juist
door mede de handel te verbieden en hierop effectief te handhaven, wordt
het probleem structureel aangepakt.
Onder «invoeren» wordt het binnenbrengen op Nederlands grondgebied
verstaan.
Zoals hiervoor is aangegeven, is het verboden radarverklikkers in Nederland
in te voeren. Slechts in die situatie waarin het communautaire recht Nederland
daartoe dwingt, is een uitzondering op dit verbod gemaakt. Dit betekent dat
vanwege het in het communautaire recht neergelegde beginsel van het vrije verkeer
van goederen binnen lidstaten van de Europese Unie het wel is toegestaan om
radarverklikkers na invoer in Nederland direct aansluitend door te voeren naar
een andere EU-lidstaat en dat het niet geoorloofd is deze apparaten direct
aansluitend door te voeren naar een ander land dan een EU-lidstaat. Voor doorvoer
naar een andere EU-lidstaat is wel als eis gesteld dat de belanghebbende de
doorvoer via handelsbescheiden dient aan te tonen. Onder handelsbescheiden
worden aankooporders, facturen en dergelijke verstaan.
Grondslag van het verbod
Het verbod tot het invoeren, te koop aanbieden, in voorraad hebben en
afleveren van de apparaten, zoals geregeld in artikel 1a.7 van het Voertuigreglement,
heeft als grondslag artikel 34, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Volgens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ter vervanging
van de Wegenverkeerswet (Kamerstukken II 1990/91, 22 030, nr. 3, blz.
90/91) zal een verkoopverbod in beginsel alleen betekenis hebben voor
zaken die in het kader van de Europese Gemeenschappen gereglementeerd
zijn. In andere gevallen zal, volgens de toelichting, immers al snel
sprake zal zijn van een handelsbelemmerend effect van zo'n maatregel.
Voor radarverklikkers zijn er geen communautaire voertuigeisen en deze
zullen er ook niet komen, omdat diverse lidstaten juist een verbod voor
deze apparaten hebben ingesteld dan wel voornemens zijn om dit te doen.
Omdat er voor radarverklikkers geen harmoniserende regelgeving valt te
verwachten en de handelsbelemmering kan worden gerechtvaardigd (zie hieronder)
strookt dit verbod met de hierboven aangehaalde toelichting. Daarin is
immers ook gesteld dat in zeer specifieke situaties een verkoopverbod
van niet in Europees verband gereglementeerde producten kan worden overwogen.
De grondslag voor het verbod om de apparaten aanwezig te hebben in of aan een
rijdend motorrijtuig, zoals geregeld in artikel 5.1.6 van het Voertuigreglement,
is gelegen in artikel 71 van de Wegenverkeerswet 1994.
Verenigbaarheid van het verbod met het supranationale recht
Zoals hierboven al is uiteengezet vormt het uitvoeren van snelheidscontroles
een essentieel onderdeel van de inspanningen van de overheid om de bestuurders
van motorrijtuigen ertoe te brengen de geldende snelheidslimieten na
te leven. Omdat het overtreden van de snelheidslimieten tot meer verkeersslachtoffers
leidt en de toepassing van radarverklikkers voor een verminderde effectiviteit
van snelheidscontroles zorgt, is een verbod voor deze apparaten noodzakelijk
uit het oogpunt van de verkeersveiligheid.
Voor een goede werking van de huidige snelheidscontroles is het nodig dat de
burger niet altijd kan weten waar en wanneer deze controles plaatsvinden. Het
uitvoeren ervan vindt op dit moment nog altijd in belangrijke mate plaats met
behulp van - al dan niet mobiele - radarapparatuur. Alhoewel er geëxperimenteerd
wordt met de toepassing van controleapparatuur die niet of nauwelijks gedetecteerd
kan worden, is deze apparatuur nog niet geschikt om op grote schaal te worden
ingezet. De toepassing van middelen als traject-controles zijn vooralsnog alleen
geschikt op bepaalde wegtrajecten.
Gezien het bovenstaande kan, opdat het verbod verenigbaar is met het communautaire
recht, een beroep worden gedaan op de rechtvaardigingsgronden openbare orde
en openbare veiligheid van artikel 30 EG-verdrag.
Met het instellen van het verbod wordt bovendien aangesloten bij de ontwikkelingen
op dit gebied in diverse andere lidstaten van de Europese Gemeenschappen. Zo
is in België, Denemarken, Frankrijk, Luxemburg en Zweden al een soortgelijk
verbod ingesteld. In Duitsland en in Groot-Brittannië overweegt men een
dergelijk verbod in te stellen.
Aangezien radarverklikkers werken door middel van het ontvangen van bepaalde
elektromagnetische golven is ook bezien of er geen strijd kan ontstaan met
het bepaalde in artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op grond van dit artikel heeft
een ieder het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat mede de
vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken. Dit
recht strekt evenwel niet zo ver dat ook aan de ontvangst van niet voor ontvangst
bestemde elektromagnetische golven bescherming wordt verleend. Het gaat hierbij
om van iedere inhoudelijke informatie gespeende signalen, die uitsluitend dienen
tot registratie van te snel rijdende voertuigen.
De enige informatie die uitgaat van de signalen is dat er op een bepaalde plek
snelheidscontroles worden verricht, en daarvan is het nu juist de bedoeling
dat die informatie niet voor het publiek toegankelijk is.
Overige detectiesystemen
Met dit besluit worden alleen detectiesystemen verboden die werken door
middel van radarontvangst. Er zijn meer apparaten die geschikt zijn om
de bestuurder te waarschuwen dat er een meting van de snelheid plaatsvindt.
Te denken valt bijvoorbeeld aan bepaalde (satelliet)navigatiesystemen
die zijn voorzien van informatie over de posities van vaste snelheidscontroles,
maar ook aan radio's en dergelijke. Het verbieden van dergelijke apparaten
is niet gewenst. Of het melden van snelheidscontroles via deze apparaten
verboden dient te worden is nog onderwerp van nader onderzoek. Indien
hiertoe zou worden overgegaan dan zou dit op het niveau van een wet in
formele zin moeten worden geregeld.
Handhaving
De handhaving van het handelsverbod wordt in het bijzonder ter hand
genomen door de Voedsel en Waren Autoriteit. Deze organisatie zal de
reguliere verkoopkanalen van de apparatuur controleren op naleving van
het verbod. De apparaten worden vooralsnog in diverse winkel(keten)s
en via postorderbedrijven aangeboden.
De handhaving van het verbod om de apparaten in te voeren wordt door de douane
uitgevoerd. De douane zal de controle op de invoer van de apparaten meenemen
in de reguliere werkzaamheden.
Ingevolge artikel 1, onderdeel 4, van de Wet op de economische delicten (Wed),
is overtreding van het krachtens artikel 34, eerste lid, van de Wegenverkeerswet
1994 bepaalde als economisch delict aangemerkt, zodat opsporing en handhaving
van deze overtreding in het kader van de Wed zullen plaatsvinden.
De handhaving van het verbod om de apparaten aanwezig te hebben in of aan een
rijdend motorrijtuig, zal door de politie en de Inspectie Verkeer en Waterstaat,
divisie Vervoer, mee worden genomen in hun reguliere werkzaamheden. Deze handhaving
zal strafrechtelijk in plaats van administratiefrechtelijk plaatsvinden, opdat
aangetroffen apparaten in beslag kunnen worden genomen.
De Minister van Justitie heeft het College van procureurs-generaal, het Korpsbeheerdersberaad
en de Raad van Hoofdcommissarissen om advies gevraagd over het ontwerp van
het besluit. Bij brieven, gedateerd respectievelijk 4 november 2002 en 19 november
2002, is er door het College en de beide beraden hierop gereageerd. Daarbij
zijn slechts enkele opmerkingen van technische aard gemaakt die niet tot een
aanpassing van het besluit hebben geleid.
Notificatie
Het ontwerpbesluit is op 22 april 2003 gemeld aan de Commissie van de
Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2003/143/NL) ter voldoening
aan artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende
een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften
en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG
L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG
L 217). Dit heeft niet geleid tot enige reactie.
Tevens heeft melding plaatsgevonden aan het Secretariaat van de Wereld Handelsorganisatie,
ter voldoening aan artikel 2, negende lid, van de op 15 april 1994 te Marrakech
tot stand gekomen Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen (Trb.
1994/235).
Verder is het ontwerpbesluit overeenkomstig artikel 2b van de Wegenverkeerswet
1994 op 23 april 2003 overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal. Dit
heeft geleid tot een aantal vragen aan de Minister van Verkeer en Waterstaat
van de kamerleden Oplaat en Hermans (beiden VVD) van resp. 23 april 2003 en
28 mei 2003. Deze zijn resp. per brief van 26 mei 2003 en per brief van 30
juni 2003 beantwoord.
De Minister van Verkeer en Waterstaat, K. M. H. Peijs |